Latha Subramanjam

jul 3, 2011   //   by Stichting Intercity   //   Nieuws  //  No Comments

Nederland heeft het beste brood van de wereld, volgens Latha Subramanjam. Ze weet waar ze het over heeft. Latha runt haar eigen bakkerswinkel, samen met haar man Kanthan, die bakker is en al
in verschillende Nederlandse bakkerijen heeft gewerkt. Ze komen uit Sri Lanka, een land net zo groot als Nederland, met net zoveel inwoners. Maar daar houdt de overeenkomst wel op.


“Vijfentwintig jaar geleden? Toen woonde ik in mijn geboorteplaats
Jaffna, ik was nog een kind. Het was een heel drukke stad. Weinig ruimte en heel veel mensen. Voor mij is Nijmegen daarom rustig, een fijne stad om in te wonen. We hebben al op veel plaatsen gewoond in Nederland, eerst in Breda en later in Rijsbergen, Alverna, Nijmegen en Assen. En nu weer in Nijmegen. De eerste keer dat we hier woonden, hadden we een huis in Lindenholt. Dat is een mooie wijk. We hadden er een eigen woning met een tuin. De mensen waren erg aardig. Maar ja, het asielzoekerscentrum moest in die tijd een huis voor ons regelen en wij kregen woonruimte aangeboden in Assen. Wij konden daar helemaal niet wennen en wilden heel graag terug naar Nijmegen. Dat is gelukt en sinds 2003 wonen we in Meijhorst. Wij weten heel goed de weg in Nijmegen en kennen bijna alle straten. Mijn man heeft drie jaar lang kranten bezorgd en ik heb hem daarbij een paar maanden geholpen. Zo leer je de stad goed kennen.”

“In het begin weet je helemaal niets. Ik kende geen mensen, ik kende de taal niet. Dat was heel moeilijk. Ik ben twee jaar naar het ROC gegaan om Nederlands te leren, maar thuis wilde ik alleen maar slapen, ik was moe en maakte geen huiswerk. Ik had wel een paar toetsen gehaald, maar ik kon niet goed Nederlands spreken en ik durfde niet te praten. Mijn man moest werken en we kregen een baby, dus ik was veel thuis en sprak met niemand Nederlands. Toen ons kind naar de crèche kon, ben ik naar Intercity gegaan. De eerste lessen waren erg moeilijk voor mij. Ik was bang en durfde niet te praten. Ik bibberde als er iets gevraagd werd en soms schoten er tranen in mijn ogen. Als de docent iets vroeg, zei ik dat ik het niet wist. Maar zij hielp mij om door te gaan. Langzaam werd het een beetje makkelijker.

In de klas moest ik oefenen, oefenen, oefenen. Ik moest ook steeds huiswerk maken. Daar zorgde de docent wel voor. Zelf wilde ik natuurlijk ook graag beter Nederlands leren. Na ongeveer een jaar werd ik door de gemeente aangemeld voor een inburgeringstraject. Ik was eigenlijk nog niet klaar met de taallessen en ik kon gelukkig bij Intercity blijven voor de opleiding. Ik kreeg wel een andere docent voor de inburgeringslessen. Ik leerde nog steeds Nederlandse taal, maar ik moest ook laten zien dat ik echt dingen kon doen in het Nederlands. Ik moest een portfolio maken. Daarvoor kreeg ik hulp van een andere docent. Dus weer veel huiswerk maken en weer veel oefenen. Maar het ging heel goed en ik haalde mijn inburgeringsexamen in zeven maanden.”

“Nu gaat het goed. Met de Nederlandse taal: een beetje goed. We hebben nu een winkel, dus ik heb geen tijd meer voor taalles. Maar er komen veel Nederlandse klanten, dus ik moet wel veel praten. Ik ben niet meer bang.”
“Over vijfentwintig jaar hebben we een grote bakkerij en werk ik nog steeds in onze winkel in Meijhorst. Ik hoop dat we dan ook een terrasje hebben waar we koffie kunnen verkopen met tosti’s, maar ook producten uit Sri Lanka, bijvoorbeeld geroosterde broodjes met curry. We kunnen dan hopelijk ook aan bedrijven leveren of aan de horeca. Dat gaat misschien niet altijd gemakkelijk want je moet hier aan heel veel dingen denken. En je moet alles aanvragen. In Nederland zijn heel veel regels. Dat heb ik echt niet alleen in de inburgeringsles geleerd. Maar ik denk: onze toekomst is goed.”

Leave a comment