Latha Subramanjam
Nederland heeft het beste brood van de wereld, volgens Latha Subramanjam. Ze weet waar ze het over heeft. Latha runt haar eigen bakkerswinkel, samen met haar man Kanthan, die bakker is en al
in verschillende Nederlandse bakkerijen heeft gewerkt. Ze komen uit Sri Lanka, een land net zo groot als Nederland, met net zoveel inwoners. Maar daar houdt de overeenkomst wel op.
“Vijfentwintig jaar geleden? Toen woonde ik in mijn geboorteplaats
Jaffna, ik was nog een kind. Het was een heel drukke stad. Weinig ruimte en heel veel mensen. Voor mij is Nijmegen daarom rustig, een fijne stad om in te wonen. We hebben al op veel plaatsen gewoond in Nederland, eerst in Breda en later in Rijsbergen, Alverna, Nijmegen en Assen. En nu weer in Nijmegen. De eerste keer dat we hier woonden, hadden we een huis in Lindenholt. Dat is een mooie wijk. We hadden er een eigen woning met een tuin. De mensen waren erg aardig. Maar ja, het asielzoekerscentrum moest in die tijd een huis voor ons regelen en wij kregen woonruimte aangeboden in Assen. Wij konden daar helemaal niet wennen en wilden heel graag terug naar Nijmegen. Dat is gelukt en sinds 2003 wonen we in Meijhorst. Wij weten heel goed de weg in Nijmegen en kennen bijna alle straten. Mijn man heeft drie jaar lang kranten bezorgd en ik heb hem daarbij een paar maanden geholpen. Zo leer je de stad goed kennen.”
“In het begin weet je helemaal niets. Ik kende geen mensen, ik kende de taal niet. Dat was heel moeilijk. Ik ben twee jaar naar het ROC gegaan om Nederlands te leren, maar thuis wilde ik alleen maar slapen, ik was moe en maakte geen huiswerk. Ik had wel een paar toetsen gehaald, maar ik kon niet goed Nederlands spreken en ik durfde niet te praten. Mijn man moest werken en we kregen een baby, dus ik was veel thuis en sprak met niemand Nederlands. Toen ons kind naar de crèche kon, ben ik naar Intercity gegaan. De eerste lessen waren erg moeilijk voor mij. Ik was bang en durfde niet te praten. Ik bibberde als er iets gevraagd werd en soms schoten er tranen in mijn ogen. Als de docent iets vroeg, zei ik dat ik het niet wist. Maar zij hielp mij om door te gaan. Langzaam werd het een beetje makkelijker.
In de klas moest ik oefenen, oefenen, oefenen. Ik moest ook steeds huiswerk maken. Daar zorgde de docent wel voor. Zelf wilde ik natuurlijk ook graag beter Nederlands leren. Na ongeveer een jaar werd ik door de gemeente aangemeld voor een inburgeringstraject. Ik was eigenlijk nog niet klaar met de taallessen en ik kon gelukkig bij Intercity blijven voor de opleiding. Ik kreeg wel een andere docent voor de inburgeringslessen. Ik leerde nog steeds Nederlandse taal, maar ik moest ook laten zien dat ik echt dingen kon doen in het Nederlands. Ik moest een portfolio maken. Daarvoor kreeg ik hulp van een andere docent. Dus weer veel huiswerk maken en weer veel oefenen. Maar het ging heel goed en ik haalde mijn inburgeringsexamen in zeven maanden.”
“Nu gaat het goed. Met de Nederlandse taal: een beetje goed. We hebben nu een winkel, dus ik heb geen tijd meer voor taalles. Maar er komen veel Nederlandse klanten, dus ik moet wel veel praten. Ik ben niet meer bang.”
“Over vijfentwintig jaar hebben we een grote bakkerij en werk ik nog steeds in onze winkel in Meijhorst. Ik hoop dat we dan ook een terrasje hebben waar we koffie kunnen verkopen met tosti’s, maar ook producten uit Sri Lanka, bijvoorbeeld geroosterde broodjes met curry. We kunnen dan hopelijk ook aan bedrijven leveren of aan de horeca. Dat gaat misschien niet altijd gemakkelijk want je moet hier aan heel veel dingen denken. En je moet alles aanvragen. In Nederland zijn heel veel regels. Dat heb ik echt niet alleen in de inburgeringsles geleerd. Maar ik denk: onze toekomst is goed.”
Mohammad Andishmand
“Vrijheid en democratie, dat trof ik aan in Nederland. Ik kwam in een heel vreemd plat en nat land. Nederland en Afghanistan zijn in alles verschillend.”
Mohammad Andishmand is een bekende naam in Afghanistan. Hij schreef een boek over de Afghaanse geschiedenis. Hij werkte als verslaggever voor weekbladen en radioprogramma’s en hij publiceert artikelen op internet. Als je het Farsi machtig bent en je googlet zijn naam, dan zie je een stroom aan publicaties. In 1998 moest hij vluchten voor de Taliban en kreeg hij politiek asiel in Nederland. Hier probeerde hij een nieuw bestaan op te bouwen.
“Het was in het begin heel moeilijk. Ik was gevlucht en mijn vrouw en
kinderen waren nog in Afghanistan. Ik deed er alles aan om ze hier te krijgen en kon aan weinig anders denken. In het asielzoekers- centrum leerde ik een klein beetje Nederlands. Als je geen Nederlands praat, dan sta je buiten de maatschappij. De mensen hebben vaak geen tijd om naar je te luisteren wanneer je iets wilt uitleggen. De taal leren ging moeizaam, omdat het systeem niet echt voor oudere mensen is gemaakt. Kinderen leren snel, zij komen in een klas en werken en leren samen. Bij het ROC moest ik in één jaar alles leren in een klas met allerlei nationaliteiten en leeftijden. Ik kon weinig contact maken en moest alles uit de boeken leren. Dat lukte niet in die korte periode. Mijn contactpersoon bij de sociale dienst zorgde ervoor dat ik naar Intercity kon. Maar binnen een jaar ging ik tijdelijk terug naar Afghanistan.”
“De Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) vroeg mij of ik mee wilde werken aan een project voor de ontwikkeling van Afghanistan. Natuurlijk wilde ik dat. Met collega’s uit Amerika en Europa ben ik twee keer een half jaar naar Afghanistan gegaan om ondersteuning en advies te geven. Binnenkort ga ik er weer drie maanden naartoe. Ik ga advies geven aan de senaat over de manier waarop die moet omgaan met de media. ‘Hoe moet je een boodschap overbrengen, hoe moet je rapporteren over de dingen die je doet?’ Dit is de belangrijkste opdracht, maar er ligt nog een vraag en die gaat over het schrijven van wetten die het parlement maakt. ‘Hoe kun je ervoor zorgen dat wetten begrijpelijk worden opgeschreven en dat ze allemaal op dezelfde manier in het wetboek komen?’ Dit werk is belangrijk voor mij en voor mijn land. Maar intussen wonen mijn vrouw en kinderen hier in Nederland.”
“Mijn dochter is getrouwd, mijn jongste zoon zit in 5 HAVO en een andere zoon werkt in Wijchen op het gemeentehuis. Eén zoon studeert geneeskunde en de andere politicologie. Ik blijf dus in Nederland en probeer nog steeds de taal te leren. Ik moet met de mensen kunnen praten.”
“Na mijn eerste bezoek aan Afghanistan, vervolgde ik mijn taalles bij Intercity. Toen ik te horen kreeg dat ik het inburgeringsexamen moest afleggen, ben ik hier ook die opleiding gaan volgen. In het inburgeringsprogramma van Intercity zit ook een stage. Ik sprak met Judith, de stagecoördinator en zij vond voor mij een passende plek in de patiëntenbibliotheek van het UMC Radboud. Eindelijk kwam ik wat meer in contact met Nederlanders. Aan het einde van mijn stageperiode vroeg ik Judith of ik niet kon blijven.
Zij heeft ervoor gezorgd dat ik er vrijwilligerswerk kon gaan doen. Ik werk nu al drie jaar in de patiëntenbibliotheek. Het is prettig om er te werken en om collega’s te hebben en ik heb nu de mogelijkheid om meer te praten. Maar soms is de taal toch nog een probleem en gelukkig heeft Judith steeds contact met mij gehouden. Zij heeft nu met mijn vrijwilligerscoördinator afgesproken dat ik weer terug mag naar Intercity. De combinatie van taalles en praten met collega’s moet ervoor zorgen dat ik het Nederlands beter ga beheersen. Daar heb ik in mijn andere vrijwilligerswerk straks ook voordeel van. Bij Het Inter-Lokaal help ik mensen uit Afghanistan bij het oplossen van hun problemen. Ik geef ze advies of ik verwijs ze door naar de juiste instantie of naar een collega. Als mijn Nederlands goed is, kan ik natuurlijk meer zelf doen.”
“Hoe het over vijfentwintig jaar zal zijn? Ik kan alleen maar hopen. Ik wil graag met mijn vrouw in een veilig en democratisch Afghanistan wonen, waar vrede heerst en waar geen buiten- landse troepen nodig zijn. Maar onze kinderen zijn Nederlandse kinderen geworden. Zij wonen en werken in Nederland. Misschien gaan we zonder hen terug, wanneer het zover is.”
Meriem Al Hassani
Meriem Al Hassani hoeft niet na te denken. “Ik zou niet in een andere stad willen wonen. Nijmegen is mooi, rustig en… nieuw. De oudste stad van Nederland, maar toch nieuw. Veel wijken, straten en gebouwen lijken veel nieuwer dan die van andere steden waar ik wel eens kom.”
“Het is allemaal snel gegaan. Ik woon hier nu dertien jaar. Ik was nog maar drie maanden toen mijn vader moest vluchten uit Irak. In 1985 vertrokken mijn ouders vanuit Dubai naar Spanje. Dus toen Intercity werd opgericht, woonden wij net in Spanje. In 1997 ben ik getrouwd en naar Nijmegen verhuisd. Ik kende verder niemand. Ik sprak Arabisch, Spaans en Engels, maar geen Nederlands. Ik moest erg wennen. De sfeer in Spanje was zó anders. Daar leven de mensen veel meer buiten. Ze lopen op straat, praten met iedereen die ze tegenkomen, de deur staat altijd open. In Nederland zag ik bijna niemand buiten en ’s avonds gingen de gordijnen dicht en waren de straten stil.”
“Ik wilde snel gaan werken, maar ik sprak geen Nederlands en had weinig contacten. Ik ben toen een cursus gaan volgen bij het ROC, maar dat
werd geen succes. In die tijd waren daar grote groepen, de lesmethode paste niet bij mij, het ging gewoon niet goed. Ik was zwanger en na de geboorte van mijn kind ging ik opnieuw op zoek. Een vriendin vertelde dat er in Meijhorst, in Wijkcentrum Dukenburg, taalcursussen werden gegeven. En zo kwam ik bij Intercity terecht. Ik startte in een beginnersgroepje en vooral het lezen en schrijven vorderde snel. Maar toen vond ik een baan en ik kon de cursus helaas niet combineren met het werk. Het was een baan in een internationaal bedrijf waar bijna iedereen Engels sprak. Na een jaar sprak ik dus nog steeds geen woord Nederlands en ik meldde me opnieuw aan bij Intercity. Ik vond Nederlands moeilijk en het spreken ging me slecht af. Maar ik zat in een klein groepje waarin je je niet kon verschuilen. We zaten allemaal in hetzelfde schuitje en konden zoveel fouten maken als we wilden (of eigenlijk niet wilden!). Intussen spraken we wel twee uur achter elkaar Nederlands met elkaar. Dat heeft me veel geholpen en ik ging snel vooruit. Ik kreeg meer zelfvertrouwen en de cursus werd steeds leuker om te doen. Op een gegeven moment heb ik mijn man overgehaald om zich ook in te schrijven!
We leerden bij Intercity niet alleen de Nederlandse taal, maar maakten ook kennis met de Nederland- se samenleving. We lazen erover, we spraken er samen over en we gingen af en toe op excursie. Toen mijn baan stopte, werd ik bij Intercity ook gestimuleerd om aan de slag te blijven. Intercity vroeg me zelfs of ik vrijwilligerswerk wilde komen doen. Dat heb ik met twee handen aangegrepen. Uiteindelijk heb ik een niveau bereikt waarmee ik niet alleen in sociale contacten, maar ook bij instanties en in mijn werk met iedereen uitstekend kan communiceren. Dat moet ook wel, want ik werk nu als hoofd van de administratie bij… Intercity! Ik schrijf brieven en e-mails, beant- woord vragen van bezoekers en regel intakes van nieuwe cursisten. Maar ik ben ook verantwoorde- lijk voor onze databestanden, het bijhouden van de boekhouding en de financiële rapportages.
Ik werk nieuwe administratieve medewerkers in en begeleid stagiaires die een administratieve opleiding volgen. Ik verdeel de werkzaamheden en houd de voortgang in de gaten. En nu doe ik ook de administratie van het bedrijf van mijn man.”
“Administratief werk past bij mij. Ik vind de administratie een heel belangrijk onderdeel van een bedrijf of organisatie. Niet alleen de financiële zaken moeten goed worden bijgehouden. In de hele organisatie moeten dingen goed geregeld zijn. Of het nu gaat om de planning van de leslokalen of de uitnodiging voor het medewerkersoverleg, over de aanwezigheid van een pc of het betalen van de rekeningen, als de administratie niet in orde is, stort uiteindelijk alles in. Over vijfentwintig jaar? Ik hoop dat ik dan nog steeds bij Intercity werk!”
Anis Hassani
Anis Hassani heeft niet zoveel tijd voor een interview. Haar dagen zijn gevuld met haar kinderen en kleinkinderen, ze zit op computercursus en ze gaat twee keer per week naar taalles. En, ze vergeet het bijna te vertellen, elke vrijdag gaat ze zwemmen. Niet elke zeventigjarige staat zo actief als Anis midden in de maatschappij. Op een dinsdagmiddag na haar taalles wil ze wel iets over zichzelf vertellen.
“Ik woonde in Kaboel met mijn man en kinderen en veertien jaar geleden zijn we naar Nederland gevlucht. Ik ben de naam
van het asielzoekerscentrum vergeten, maar het was hier niet zo heel ver vandaan. We konden gelukkig in de buurt blijven en in Nijmegen gaan wonen. Natuurlijk was het moeilijk in het begin. Voor de eerste keer alleen in een vreemd land, met zo’n moeilijke taal. Maar wij zijn goed ontvangen in Nijmegen. Mijn ervaring is dat de mensen in Nijmegen vriendelijk zijn voor mensen uit Afghanistan.”
“In het begin kon ik niet met anderen praten. Dat deed ik via de kinderen. Zij gingen naar school en leerden al snel de taal. De ouders van een vriendinnetje van mijn dochter hebben mij veel geholpen en ook de buren probeerden met mij te praten. Maar ik ging pas laat op taalles, om lezen en schrijven te leren en beter Nederlands te spreken natuurlijk. Ik kende Intercity toen nog niet. Ik ging voor taalles eerst naar Hatert, naar het wijkcentrum. Daar hoorde ik van een project dat Zafirah heette en dat door Intercity en de stichting Vluchtelingen en Nieuwkomers Zuid Gelderland (V&NZG) werd georganiseerd in Wijkcentrum Dukenburg. Dat was niet alleen dichterbij, maar ik kon er ook meer leren.”
“Zafirah, dat was niet alleen taalles. We kregen er ook sociale activering. We leerden van alles over de gemeente, het openbaar vervoer en allerlei instellingen. We hebben in die tijd ook heel veel gezien. We gingen naar Orientalis en naar het station, we hebben een boerderij bezocht en we zijn zelfs een keer naar de bowling geweest. En terwijl de kinderen gingen werken en studeren, leerde ik Nijmegen beter kennen. Voor de kinderen was het natuurlijk makkelijker. Zij leren snel. Maar ik, ik ben oud, voor mij is het heel moeilijk om Nederlands te leren.”
“Na twee jaar stopte de cursus bij Zafirah en ik ben verder gegaan met taalles bij Intercity. Ik wil meer leren. Ik wil goed met de buren kunnen praten, maar ook in winkels en ik vind het ook belangrijk dat ik aan de telefoon beter Nederlands spreek.
Mijn man trouwens ook, die volgt nu ook taalles bij Intercity, maar dan in een andere groep. Op een dag kwam er iemand in de les iets vertellen over het Creatief Centrum Nijmegen Zuid. Daar zijn we toen met de klas gaan kijken en ik heb me aangemeld voor een computercursus. Ik leer er nu typen en internetten. Bij Intercity oefenen we elke week met de computer.
Nu ik op computerles zit, kan ik ook zelf thuis oefenen. Intercity heeft mij ook geholpen met een taalmaatje. Dat is iemand met wie ik veel kan praten en die mij helpt met het huiswerk. Dat werkt heel goed en het is dan ook jammer dat mijn taalmaatje is gestopt. Ik hoop dat ik snel een nieuw maatje krijg.”
“Ik weet niet hoe het over 25 jaar zal gaan. Ik hoop dat het goed gaat met mijn kinderen. Ze wonen niet meer thuis, maar wij gaan ze vaak bezoeken en als er iemand ziek is, gaan we helpen. Iedereen is bezig met werk of studie. Een dochter is tandarts en een is tandartsassistente. Mijn zoon wordt ingenieur en de jongste dochter studeert medicijnen. Ik heb al een kleinzoon, die óók tandarts is. De anderen zitten nog op school of studeren. Vier kinderen en veertien kleinkinderen, zo groot is mijn familie. Ik ben blij dat het zo goed met ze gaat. De toekomst, dat is de toekomst van mijn kinderen en kleinkinderen, hier in Nederland.”
Churchill Osayande
Churchill Osayande heeft een boodschap. “Ik schrijf teksten voor rap- en hiphopliedjes, die ik samen met mijn vrienden zing. Nu schrijf ik in het Engels, maar ik wil dat Nederlandse mensen mij ook begrijpen. Ik hoop dat het me lukt om over een half jaar mijn teksten in het Nederlands te schrijven. Ik schrijf over mezelf, dat ik van mensen houd en dat ik mensen wil helpen. Dat is mijn boodschap.”
Als je Churchill ontmoet, begrijp je meteen dat je niet met een doetje te maken hebt. Hij is een grote sterke vent van minstens een meter vijfentachtig en hij weegt zeker negentig kilo. Zijn hobby is kickboxen. Het gaat in deze sport niet alleen om techniek en uithoudingsvermogen, je moet ook flink kunnen incasseren. Maar dat is zijn hobby. In het dagelijkse leven draait het bij Churchill om heel andere zaken.
“Ik heb als vrijwilliger in het wijkcentrum van Bottendaal gewerkt. Samen met een vriend begeleidde ik groepen kinderen bij het maken van muziek. We leverden hun de beats voor rapliedjes en hielpen de kinderen om hierbij hun eigen teksten te maken. Daarna gingen we samen de studio in om de liedjes op te nemen. We hadden ook plannen om clips te gaan maken, maar dat is
uiteindelijk niet gelukt. Te weinig apparatuur, geen geld. Ik heb er wel veel van geleerd en misschien lukt het een volgende keer wel om de clips te maken.”
“Toen Intercity werd opgericht, was ik nog niet eens geboren. Ik ben 22 jaar geleden geboren in Binnincity in Nigeria. Toen mijn moeder 6 jaar geleden overleed, heeft mijn vader ons naar Nederland gehaald. Ik vond het niet zo moeilijk in Nederland. Ik kan goed met mensen omgaan en ik maak snel vrienden. Dat wil niet zeggen dat de Nederlandse taal gemakkelijk is aan te leren, vooral niet als je het goed wilt doen. Met mijn vrienden praat ik wel Nederlands, maar niet echt goed. Ze begrijpen me toch wel, ook al kloppen mijn zinnen niet helemaal. Soms sla ik dingen over, of ik gebruik andere woorden. In ieder geval is mijn taal niet goed genoeg om de opleiding te doen die ik graag wil doen. Daarom zit ik bij Intercity.”
“Ik ben begonnen in de internationale schakelklas, de ISK. Omdat ik graag met mensen wil werken, ging ik voor zorghulp leren bij het ROC. Na een jaar kon ik naar de opleiding voor helpende zorg en welzijn. Je leert er werken met mensen die niet voor zichzelf kunnen zorgen, zoals ouderen, zieken of gehandicapten. Daar ben ik voor geslaagd, maar ik wil eigenlijk het liefst met kinderen of jongeren gaan werken. Sociaal pedagogisch werk dus en die opleiding is op niveau 3. Dat betekent dat je Nederlands al heel goed moet zijn. Bij het ROC is een ‘doorstroom- groep’ om je daarop voor te bereiden, maar het lukte me niet om mijn Nederlands voldoende te verbeteren. Het ROC adviseerde om bij Intercity taallessen te gaan volgen. Hier bereid ik me voor op het Staatsexamen Nederlands als tweede taal programma 1. Dat heb je nodig als je hogerop wilt en een MBO-opleiding wilt volgen. Het voordeel van de lessen bij Intercity is dat we in kleine groepjes werken en dat de docent meer tijd en aandacht heeft voor mijn taalproblemen. Ook krijg ik meer uren taalles en dat is goed voor mij. Als het aan mij lag, zou ik het liefst elke dag taalles hebben! Voor de onderdelen spreken en schrijven ben ik inmiddels geslaagd. Nu lezen en luisteren nog.”
“Volgens mij bestaat Intercity nog wel over 25 jaar. Er komen mensen naar Nederland en die moeten de taal toch ook leren? Maar zelf heb ik dan geen taalles meer nodig, hoop ik. Ik weet het eigenlijk niet, het is nog zo ver weg. Dan ben ik al ouder dan veertig! Ik weet niet eens wat ik straks precies zal worden. Ik hoop in ieder geval dat ik mijn MBO-diploma Sociaal Pedagogisch Werken (SPW) zal halen en dat ik een mooi beroep kan kiezen, waarin ik met jongeren kan werken.”






